Home

Wat zegt de Islam over muziek?


muziekBeste Broeder / Zuster,

In het boek İhyâü Ulûmi’d-Dîn van Gazzâlî start hij onder het kopje “Het beluisteren van muziek (semâ) is het teken van Moebah (1) ” als volgt:

“Beweren dat het beluisteren van muziek haram is, betekent dat Allah diegene zal straffen voor het beluisteren van muziek. Dit is een kwestie, dat  niet alleen met het verstand te begrijpen is. Zodoende, moet er gekeken worden naar islamitische bronnen (2) en de vergelijkingen  gebaseerd op dit soort bronnen. Als er aan de hand van de vergelijkingen van de islamitische bronnen geen goed en juist  resultaat is bereikt, dan zijn de beweringen dat muziek luisteren haram is ongegrond.”

Vervolgens zegt Gazzâlî dat; met mate of niet, de invloed van het luisteren naar een mooie stem en de invloed van muziek op de luisteraar leidt ertoe dat het luisteren naar muziek Moebah is. Hij probeert de argumenten van degenen die het tegendeel beweren één voor één te beantwoorden. (a)

Imam Gazzâlî heeft over het onderwerp muziek alle beweringen geanalyseerd, de bewijzen vergeleken en is op de volgende conclusie gekomen: 

Muziek, of het nu een stem of instrument is, is niet bindend aan één oordeel; het kan Haram, Makroeh en Moestahab zijn.

1)  Muziek dat slechts  aanzet tot wereldse verlangen en de wellust van jongeren is haram.

2)  Voor diegenen die het grootste deel van hun tijd hieraan besteden of er een gewoonte van heeft gemaakt, is het makroeh.

3)  Voor diegene die niet verstrikt raakt in allerlei gevoelens en alleen geniet van een mooie stem is het moebah, toegestaan.

4)  Voor diegene die overvolle liefde voelt tegenover Allah, als de mooie stem aanspoort tot goede eigenschappen en attributen dan is het moestahab. (b)

Doorgaand in zijn analyse drukt Gazzâlî uit dat muziek afhankelijk van de situatie moebah of mendub kan zijn. Wat muziek haram maakt, zijn de volgende vijf punten die later bij zijn komen kijken:

1)  Als de zinger een zangeres is, en de luisteraar is bang dat de stem van de zangeres hem aanspoort tot wellustigheid, dan is het haram. Hier is het oordeel haram geen betrekking op het muziek maar de stem van de zangeres. De stem van de zangeres is eigenlijk geen haram;  maar als het aanspoort tot wellustigheid dan is het zelfs haram om naar Koran recitaties te luisteren. (c)

2)  Als een muziek instrument een symbool is van alcohol gemeenschappen, dan is het bespelen van dit instrument haram; alle andere instrumenten zijn nog altijd moebah.

3)  Als de lyriek van een lied slecht is, dus als zij in strijd is met de Islam en Islamitische ethiek, dan is het luisteren of zingen van dit lied met of zonder muziek haram.

4)  Iemand die gevangene is in zijn lustige gevoelens  die de jeugd met zich meebrengt, overmatig dol is op muziek en als de muziek aanzet tot zijn lichamelijke verlangen, dan dient hij uit de buurt van muziek te blijven.

5)  Als muziek een gewone persoon niet aanspoort tot wellustigheid en niet tot liefde tegenover Allah maar het neemt wel al zijn tijd in beslag en hem weerhoudt van andere zaken, dan is zij alsnog haram. (d)

Ter conclusie: luisteren naar muziek met als voorwaarde dat zij mooi, met mate en betekenisvol is, dan is het moebah. De reden dat het haram is, komt niet door de muziek zelf, maar door externe factoren die bij de muziek bij komen kijken. 



Ijma is een Arabische term die verwijst naar de consensus of overeenstemming van de moslimgemeenschap. Verschillende stromingen binnen de islamitische jurisprudentie kan deze consensus definiëren als alleen die van de eerste generatie moslims, de consensus van de eerste drie generaties van moslims, de consensus van de juristen en geleerden van de islamitische wereld, de wetenschappelijke consensus, of de consensus van de hele islamitische wereld, zowel wetenschappers als leken.


a) el-Gazzali Muhammed, İhyâu-ulûmi'd-din, I-IV, Kahire,1939 268-284. 

b) İhya, 2/302
c) Haifi Buhârî en şârihi allâme Aynî ”Tijdens een Eid(feest) luisterden Hz. Muhammed(v.z.m.h.) en Ebû Bekr(r.a.) naar twee bijvrouwen. Uitgaande van dit kwamen zij(Buhârî en şârihi allâme Aynî) tot dezelfde conclusie”. Umdetu'l-kâri, I-XI, el-Âmire, 1308-1311, 3/360.
d) İhya, 2/279-281. (samengevat.); bk. Hayrettin Karaman, Günlük Hayatımızda Helaller Ve Haramlar, Musiki paragraaf.